Hoe het begon…

Ik weet het nog precies.

Het is maandagavond. Ik ben 4 jaar oud. Ik zit in het ziekenhuis, in het trappenhuis voor de lift. Links van me zijn de deuren die toegang bieden tot de kinderafdeling. Daar, achter die deuren ligt mijn broer. Mijn broer, twee jaar ouder dan ik, die in het ziekenhuis ligt en ik mag niet bij hem.

Tijdens de gymles die middag heeft mijn broer zijn arm op meerdere plaatsen gebroken.

We moesten over de brug heen spingen. Snel achter elkaar. Toen mijn broer sprong viel hij. De volgende, toevallig onze buurjongen, sprong snel achter hem aan en landde op zijn arm. Mijn broer schreeuwde het uit van de pijn.

De gymles duurde voort, mijn broer zat aan de kant en moest zich volgens de meester ‘niet aanstellen’.

Vlak boven zijn pols stond zijn arm scheef en je kon duidelijk zien dat hij gebroken was.

Ik probeerde de meester ervan te overtuigen dat mijn broer naar de dokter moest, maar de meester wilde van niets weten.

Na de gymles hielp ik mijn broer met aankleden want dat kon hij niet zelf.

Met de bus gingen we weer terug naar school. Mijn broer vroeg aan de buschauffeur of hij niet zo snel over de hobbels wilde rijden want dan deed zijn arm erg zeer.

Op school aangekomen moesten we lopend, zo’n kilometer, naar huis.

Mijn moeder zag direct de ernst van de situatie en is met mijn broer naar de dokter en daarna door naar het ziekenhuis gegaan.

Ik het ziekenhuis bleek dat zijn arm gezet moest worden. Dit mislukte, waardoor hij in het ziekenhuis moest blijven om de volgende ochtend, onder narcose, de arm opnieuw te zetten.

Tijdens het avondeten praten mijn vader en moeder over alles wat er gebeurt is en ik hoor mijn moeder zeggen dat mijn broer zo verschrikkelijk moest schreeuwen toen de doctoren probeerde, zonder verdoving, zijn arm te zetten. Ik hoor het allemaal aan en krijg geen hap meer door mijn keel.

Om zeven uur is het bezoekuur. Ik sta erop om mee te mogen. Ik moet en zal met eigen ogen zien hoe het met mijn broer gaat.

Mijn vader en moeder vertellen mij dat het niet zoveel zin heeft om mee te gaan, omdat ik nog te jong ben om op de kinderafdeling mee te mogen.

Ik maak een hoop stennis en mag uiteindelijk mee.

En daar zit ik dus, voor de liftdeuren te wachten tot mijn vader en moeder terug komen, want ik mag inderdaad niet mee de kinderafdeling op.

En dan, ineens, gaan de klapdeuren links van mij open en komt er een bed uit rollen. Het bed waar mijn broer, met een grote glimlach, op ligt. Mijn vader duwt het bed en komt glimlachend mijn kant op lopen. Ik sta op en sluit mijn grote broer in mijn armen. Wat ben ik blij dat ik hem even mag zien en met eigen ogen kan zien hoe het met hem gaat.

Mijn broer vertelt mij dat hij het heel erg vindt dat hij niets mag eten. Morgenochtend vroeg moet hij onder narcose en daarom mag hij nu niets meer eten. Hij vindt het echt heel erg. Hij houdt ontzettend van veel en vaak eten.

Als we weer afscheid van elkaar moeten nemen kan ik me goed houden, maar zodra de klapdeuren achter mijn vader en mijn broer dichtklappen begin ik te huilen. Mijn broer die helemaal niets mag eten. Verschrikkelijk vind ik het voor hem.

In de auto terug naar huis ben ik stil en huil in mezelf. Ik huil om mijn broer. Ik heb zo ontzettend met hem te doen.

Als ik ’s avonds naar bed ga lig ik nog uren stilletjes te huilen.

Stilletjes, want ik wil niet dat mijn moeder het hoort. Zij hoeft mijn verdriet niet te zien, ze heeft zelf al zoveel verdriet en ook zoveel aan haar hoofd.

Nu, vijfenveertig jaren later, weet ik dat deze dag het begin was van mijzelf vooral onzichtbaar maken, voor mijn broer zorgen als dat nodig is en vooral mijn ouders niet tot last te willen zijn.